Ik heb het overwogen

Ik heb met hem te doen.
Zoals hij, net als mij, wat verloren over de gangen van onze veilige time out plek dwaalt.
Dat zijn telefoon zijn enige communicatiemiddel is, is al snel duidelijk. Dat mensen zich daaraan irriteren, -namelijk dat hij de taal niet machtig is- en voortdurend met zijn mobiel is handen loopt op zoek naar contact, is ook snel duidelijk. Ik heb geen idee wat erachter zit, maar de sfeer rondom deze jongeman is op zijn zachts gezegd gespannen.

Noem mij naïef, maar ik ga met hem in gesprek.
Ik gebruik, net als hem, Google translate voor wat futiliteiten en twijfel bij één van de latere volzinnen die ik onder ogen krijg direct aan de vertaling.
‘Wil je met mij trouwen?’
De stellige uitdrukking op zijn gezicht laat zien dat het hem menens is. Ik kan er niet om lachen. Dit is een serieus verzoek. Ik weet direct dat ik niet de enige ben die hij deze vraag heeft gesteld, het is te lezen in de houding van de anderen vrouwen op de plek waar ik ben.
En toch vind ik hem zielig. Noem mij naïef, ik druk de dreiging weg die uit mijn borstkas omhoog komt zetten en probeer duidelijk te maken dat ik allang getrouwd ben en dat wij, directe Nederlands, zulk soort vragen toch iets minder direct stellen. Hij lijkt het niet te snappen. Ook niet als ik hem de vraag stel: Wil je trouwen om in Nederland te kunnen blijven?
Blijkbaar mist ook hier Google translate haar overtuigingskracht want hij kijkt mij schaapachtig aan.

Als ik tien minuten later op mijn kamertje zit en wat probeer te rusten van alle chaos die mij overspoelt, staat hij ineens voor mij. Zonder kloppen in mijn eigen hok.
Omdat mijn brein een fixatie voor het verleden lijkt te hebben, voel ik mij direct als een kat in het nauw, begin te zweten en word overruled door een gevoel van onveilig zijn. Toch sta ik op, geef hem een lichte zet mijn kamer uit en sluit de deur met een stellige ‘Nee!’
Het dichtslaande geluid van de deur die niet op slot kan stelt mij niet gerust.

Als er twee minuten later wordt aangeklopt gluur ik voorzichtig om het hoekje.
Daar staat hij weer; kop koffie in zijn handen, die hij gretig naar mij uitsteekt. Hij kijkt verontschuldigend en wederom voel ik medelijden.
Ik glimlach vermoeid en pak de koffie aan. Ik bedank hem in het Nederlands en sluit opnieuw mijn deur, net niet tegen zijn neus. Ik zucht, zet de koffie op mijn bureau en twijfel of ik hem wel op kan drinken. Ergens voel ik zijn verwarring. Meer om hem niet te kwetsen dan dat ik echt trek in koffie heb, sip ik wat in gedachten van de zwarte vloeistof.
Nog geen kwartier later wordt er weer geklopt.
Opnieuw staat de vreemde jongeling voor mijn deur. Hij klopt tenminste.
Maar accuut voelt hij aan als een enorme bedreiging. Van binnen voel ik mij boos worden, maar wordt net zo goed overvallen door de onmacht mij niet duidelijk te kunnen maken. Eigenlijk is het angst dat de kop opsteekt, mijn hartslag gaat omhoog, de beker koffie in mijn handen trilt en ik druk mijn kaken op elkaar als hij een zelfgemaakt frutseltje in mijn handen duwt. Zachtjes duw ik hem terug, maar hij weigert, keert zich om en loopt weg. Ik zet het knutseltje in een hoek van de vensterbank. Ik vind het eerlijk gezegd niet de moeite waard om weg te geven, maar probeer een vorm van dankbaarheid in mijn binnenste te creëren. Het mislukt.

Ik ga op bed liggen, trek mijn knieën tegen mijn kin en vraag God in een overspannen wanhoop van een associatief brein of de jonge knaap mij alsjeblieft alleen wil laten.
Ik ben bang en boos tegelijk. Bang omdat ik denk aan al die keren dat mijn grenzen zijn overschreden door mannen. Boos omdat ik niet in staat blijk te zijn mijzelf duidelijk te maken.

’S avonds zit ik even rustig in de tuin als hij opnieuw naar mij toekomt met een opstandige blik in zijn ogen. Hij duwt zijn telefoon in mijn handen en ik lees: ‘Je hebt beloofd met mij te trouwen. Desnoods doen wij dit voor geld.’

Ik ben te verbaasd om te reageren. Volgens mij stootte ik een panische lach uit en duwde de telefoon terug in zijn handen. Ik ben niet eens in staat op te staan, de jongen typt een nieuw stuk tekst en als ik dan toch mijn benen in beweging weet te zetten duw ik hardhandig de telefoon uit mijn zicht terug zijn eigen ruimte in. Ik wil zijn wanhoop niet ervaren.
Ineens schreeuwt mijn gezonde verstand luid en duidelijk wat er aan de hand is. Ik heb cadeaus aangenomen van een niet-westerling. Van een wanhopige jongeman die om wat voor reden uitvlucht zoekt in iets wat hij denkt te vinden in een huwelijk. Of in wat dan ook wat hij zoekt. Of wat hij er ook voor aanbiedt.
Misschien veiligheid, zoals ook ik zoek. En waar hij mij dwars in zit.
Ik vind het doodeng, maar laat de knaap achter in de tuin, loop naar mijn kamertje, trek het aandoenlijke frutseltje uit de vensterbank en zoek hem toch weer op.
Zonder pardon duw ik hem in zijn handen, dankbaar voor mijn moed en zeg wederom luid en duidelijk: Nee! Op mijn mobiel laat ik hem één zin zien: Laat Mij Met Rust!
Dan draai ik mij om een loop weg.

Ik kan mij zijn blik voorstellen. Teleurgesteld, gekwetst, misschien zelfs een deuk in zijn ego. De uren die volgen sluit ik mij een beetje bezorgd en angstig op in mijn slaapkamertje. Worstelend tegen allemaal oud zeer van wat vervaagde grenzen een mens aan kunnen doen. Maar ook piekerend over de trauma’s die deze jongen in zich meedraagt en wat hij toch probeert voor elkaar te krijgen.
Als ik wat later mij alsnog op de gangen durf te begeven zie ik hem met zijn rugzak rondlopen.
Ik heb met hem te doen. Alweer of nog steeds. Ik weet het niet. Ik ben nog steeds bang. Niet zozeer voor hem, maar voor wat hij in mij naar boven brengt. Dat onbeheerste gevoel overheerst te worden, maar ook de diepe ellende van wat hij voor elkaar probeer te boksen, als een vuistvechter die in loze lucht slaat.
Want ook hier is hij niet welkom. Daar draag ik aan bij.

En zonder dat ik het wil denk ik aan het gedicht wat ik in 2015 schreef rond de enorme opmars van vluchtelingen. Ik heb hem overwogen.
Maar kan het er nu even niet bij hebben.

Ik heb het overwogen

Stel nou dat ik wat vluchtelingen help,
mijn huis is immers groot genoeg.
Hen barmhartig met mijn liefde overstelp
en erken dat oorlog hen de grenzen overjoeg.
Kan ik dan nog spontaan en ongedwongen
wat facebooken of met droge ogen lezen op het net?
Of zal ik worden nagestaard door valse tongen
en als verrader te kijk worden gezet?

Zal ik kunnen luisteren naar de verhalen
en hun onderdrukte snikken in de nacht,
ze zien schrikken van onze idealen,
kan ik iets doen wat het beeld van ’t journaal verzacht?
Vertaal ik spandoeken op het gemeentehuis
en wens ik overdreven dankbaarheid?
Zet ik al mijn kostbaarheden in een kluis?
Kan ik het negeren, al die haat en nijd?

Zou ik haar kunnen bemoedigen en troosten
in het ondraaglijk verlies van het land dat ze bemint?
En kan ik hem vertellen dat de Wijk niet is als het Oosten
dat hij hier op een hoekje na geen gastvrijheid vindt?
Show ik dan met gepaste trots onze bloeiende Bazaar
die bruist en barst van de inheemse culturen?
Of schaam ik me al bij het gebaar
omdat menig Bazaarhopper hem het liefste terug wil sturen?

En als ik dan toch met ze de straat opga,
ze bij de hand neem en mijn eigen angst negeer
gedachteloos bij het zoveelste loketje sta
proeven zij dan ook de spanning in de atmosfeer?
Ik mijmer wat. Slecht seconden bovenstaand overwogen
want ook ik ben stiekem bang voor al het leed
wat zo alomvattend is, verdeeld in honderden betogen

maar eigenlijk maar gewoon ‘een vluchteling’ heet.

Natasja Vermoten

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s