Ervaringsdeskundigheid en anti-psychotica

‘Wat ben je bruin geworden!’ roep ik enthousiast.
‘Ja joh, moet je kijken.’
Tom trekt ongegeneerd zijn joggingbroek naar beneden en neemt daarbij een stuk van de stretchband van zijn onderbroek mee. Schaamhaar springt in mijn blik en ik ben mij ineens sterk bewust van de oorsprong van het woord. Ik bloos. Toch grinnik ik om zijn nietszeggende vrijpostigheid. De duidelijke wit/bruine zonnescheiding rond zijn broekrand, daar was het Tom om te doen. Hij lacht en zet koffie terwijl ik zelf weer bijkleur.

Tom is een klant die zowel huishoudelijke verzorging als thuisbegeleiding van het Leger ontvangt. Hij valt onder de gelukkige categorie klanten die nog over een klein netwerk beschikt waar hij nu dus ook mee op vakantie kon. Een tijdje geleden werd Tom gediagnosticeerd met de diagnose kanker en belandde (door de emotionele schok in samenloop met andere omstandigheden) in een fikse psychose waar hij voor opgenomen moest worden. Na een heftig ziek zijn op alle aspecten van zijn wezen, wist Tom op te klimmen naar een behoorlijke zelfredzaamheid. Wat dat betreft is hij een voorbeeldklant binnen ons werkelijke werkconcept: signaleren, ondersteunen en soms sturen. Tom en zijn netwerk hebben prima in de smiezen hoe hij rust, discipline en stabiliteit moet bewaken. Maar wij, het Leger, staan er als wachters naast.

Dat Tom mijn vaste cliënt is, is een cadeautje.
Hij is getalenteerd pianist, bewerkt de liederen op de computer en gebruikt deze creatieve momenten als rustpunten voor het verder herstel in zijn leven.
Stiekem hebben mijn klant en ik een hoop gemeen, een episode van kanker in mijn eigen leven met, net als Tom, de daarop respectievelijke verschijnselen van een (rand)psychose door de psychische overbelasting die een diagnose als kanker kan geven. Hoewel Tom die rand over is gedonderd en in een heftige psychose belandde, daar bleef ik op de rand en re-integreerde weer. Bij types als Tom.

Ik merk op hoe Tom tijdens het pianospelen toetsen mist, iets meer in zichzelf praat dan normaal en een bril zoekt die op zijn hoofd zit. En dan ineens zegt hij tijdens mijn lage afstofwerk:
‘Je hebt inkijk als je bukt.’
Ik trek mijn truitje wat hoger, grimas enigszins gepikeerd naar hem en wordt in mijn denken bevestigd dat dit niet ‘Tom-eigen’ is; dezelfde vrijpostigheid.
Ik zeg dan ook: ‘Hoe staat het met jouw medicijngebruik?
Kort knik ik naar de medicatierol op tafel waarvan. Ik zie dat de pillen van vandaag er nog inzitten.

Hij fronst. Ik zie een kwartje vallen. Maar niet zoals ik verwacht dat hij valt.
Tom treft mijn vragende ogen en glimlacht.

‘Ik vraag mij serieus af waarom jij niet eens aan een lichte dosering antidepressiva of antipsychotica gaat?’
Verbluft zeg ik: ‘Hoe kom jij nou weer aan die wijsheid?’
‘Nou…’, zegt Tom nuchter. ‘In mijn signaleringsplan staat dat  gejaagdheid, trillende handen, sombere rand om je stemming en gebrek aan eetlust weleens een paar luttele stapjes bij de afgrond vandaan staan betekent.. En jij, jij gaat als een speer, van hot naar her, je kan niet eens normaal een kopje vastpakken, je ziet er somber uit en je weigert een croissant. Daarbij verdenk jij mij van psychotisch gedrag. Makes me think baby…’

Ik kijk hem opgetrokken wenkbrauwen aan.

Tom weet niet dat ik tegen onrust en angstrestanten van de kanker vecht. Inderdaad, ook op dit moment van schoonmaken. Met anti-psychotica ter ondersteuning. Ik voel mij niet ongemakkelijk in de stilte die volgt, maar wil toch de focus weer verleggen van mij, naar hem zonder al teveel bloot te geven.
‘Maar…’ dring ik aan, ‘hoe zit het met jou en je pillen?’
Hij pakt de medicatierol en trekt zijn portie voor vandaag eraf.
Hij drukt ze eruit en slikt ze door.
‘Vanochtend vergeten, ik ben gewoon nog een beetje hyper van m’n kortstondige vakantie, daarom misschien te open, sorry.’ Hij knipoogt. Ik weet dat hij oprecht is.

Ik kijk Tom nog eens taxerend aan.
Ik zie dat hij hetzelfde doet.
‘En jij?’ hij knikt naar me. ‘Medicijnen?

Ik zucht.
‘Het is oké,’ zeg ik. ‘Ik ben op zijn retour van de rand. Met een steuntje inderdaad.’
Ik vermijd zijn blik. Ik wil het woord medicijnen niet gebruiken. Niet naar cliënt óf lotgenoot.
‘Bakkie nog?’ vraagt hij maar.
Ik knik, kijk hem aan en glimlach.
Tom snapt het.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s