Wie je bent is wie je altijd bent geweest

Mijn collega en ik lopen letterlijk een mist van bedorven etenswaren in. Waar collega dapper haar schouders recht, word ik misselijk. Ze had het al gezegd: ‘Het huis is redelijk netjes, maar mevrouw verzamelt etenswaar…’

Dapper stap ik achter mevrouw en collega aan. In de gang, als ik langs een rij hoge vitrinekasten loop, zie ik ineens een schedel. Ik blijf kort oog in oog met dat mensenhoofd staan; een ontveld door de tand des tijds afgebeten bruin ding met gaten die mij aangapen. Een maandagochtend blik voor velen. Voor mij vandaag ook.
Mevrouw bemerkt mijn interesse draait zich om en vertelt: de schedel is van een echte dame geweest die zo’n 120 jaar geleden bij het ontruimen van een Amsterdamse begraafplaats van vernietiging gered is.
‘Vast niet omdat ze zo’n leuk koppie had,’ grapt mevrouw, ‘maar vanwege mijn beroep vind ik haar nog steeds interessant en intrigerend,’ zegt mevrouw serieuzer.
In de huiskamer is Goddank de bedorven etenslucht iets minder. Natuurlijk vraag ik mij na zo’n opmerking af wat het beroep is van deze vrouwelijke pensionaris.

Ik besluit haar dan ook ‘u’ en mevrouw te blijven noemen. Ergens dwingt ze dat af.
De vertrouwensrelatie tussen mevrouw en collega heeft duidelijk al grondslag want mijn collega begint meteen kordaat te ruimen. Daar waar ik nog letterlijk aan het acclimatiseren ben, verzamelt collega fervent etensresten en laat mevrouw er steeds even kort een blik werpen op de beschimmelde middelen, met voedselvocht gevulde zakjes en door muis aangegeten lekkernij. Ondanks licht tegensputteren gaat alles resoluut een vuilniszak in. Ik kijk het huis door, terwijl collega en mevrouw in een vriendelijke kissebis terechtkomen over wat nu wel en niet als ‘tenminste houdbaar tot’ wordt geacht. Ik zie en ruik weinig houdbaars.

Ik ben eerlijk als ik zeg dat ik gewend ben eerst koffie te krijgen bij een klant. Verwend in die zin, misschien. Maar als mevrouw dan eindelijk koffie aanbiedt, twijfel ik of het kopje wel schoon is. Ze ziet mij twijfelen terwijl ik een vochtige doek door de bijzonder schone boekenkast haal. Mijn hand hapert op mijn gedachten en ik kijk haar grimassend aan.
Het is een pijnlijk moment. Voor beide. Ze is scherp voor een klant, denk ik stiekem. Mevrouw besluit op mij af te stappen en zwijgt over de koffie.

Samen kijken wij naar de rijen medische, psychologische en juridische boeken. Even ieder in zijn eigen gedachten. De boekenkast is spik en span, als ik het laatste stof wegveeg. Daar waar alles in huis een beetje smoezelig is en iets in voorraad te bieden heeft, is de antieke boekenkast waar mevrouw en ik in stilte naar staren een beeldschone oase van ruimte en kennis.
‘Wat heeft u veel boeken,’ zeg ik voorzichtig. ‘En wat houdt u hem netjes,’ voeg ik er complimenteus aan toe.
‘Ik ben arts geweest.’
Een weemoedig bommetje. Groot genoeg om de lucht rondom ons met een lichte air van trots te vullen. Ze noemde het schuchter en toch ook niet. Ze moest het, in kader van ‘onze relatie’, toch even laten voelen. Arts was wie ze is geweest. De schedel en de boekenkast getuigen daarvan. Mijn collega is er volkomen bij op haar gemak.

Ik glimlach en denk aan een uitspraak van Claudia de Breij,
”Wie je bent, is wie je altijd bent geweest.”
Ik noem de opmerking terloops en zo sluit ons gesprek in tevredenheid.
Ze is arts geweest. Eerst arts, toen pas cliënt.
Ineens vind ik die rotte lucht niet erg meer. Ik sluit mij aan bij mijn ruimende collega.
En natuurlijk nam ik die koffie aan. In een schoon kopje.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s